
Op een luchthaven bestaan eigenlijk geen onschuldige bomgrappen. Waar zo’n opmerking in een café misschien nog leidt tot wat ongemakkelijk gelach, kan diezelfde zin op Schiphol binnen enkele minuten zorgen voor de zwaarst mogelijke beveiligingsprocedures, vertragingen en een bezoekje van de Koninklijke Marechaussee. Dat geldt tegenwoordig niet alleen voor wat iemand hardop zegt, maar zelfs voor iets simpels als een WiFi-naam op een telefoon.
Onlangs was het raak. Een KLM-vlucht liep flinke vertraging op nadat een passagier een dreigende WiFi-naam had ingesteld. De Koninklijke Marechaussee kwam aan boord en passagiers moesten wachten totdat duidelijk was dat geen sprake was van een daadwerkelijke dreiging.
Het incident staat bepaald niet op zichzelf. De afgelopen jaren verschenen met enige regelmaat berichten over passagiers die tijdens de controle op een luchthaven ‘grappend’ zeggen dat er een bom in hun bagage zit, of dat zij explosieven bij zich dragen. Vaak volgt dan hetzelfde patroon: beveiligingsprocedures worden opgestart, de Marechaussee wordt ingeschakeld en de verdachte mag uitleggen dat het ‘niet serieus bedoeld’ was.
Juridisch gezien kunnen dit soort gedragingen verschillende strafbare feiten opleveren. In de praktijk gaat het vaak om het doen van een valse (bom)melding of alarmmelding, maar afhankelijk van de omstandigheden kan ook sprake zijn van bedreiging. Daarbij speelt niet alleen mee wat iemand precies zegt, maar ook de context waarin dat gebeurt. Een opmerking over een bom krijgt op Schiphol of aan boord van een vliegtuig vanzelfsprekend een heel andere lading dan dezelfde woorden ergens op een terras.
Juist die context maakt luchtvaartstrafrecht interessant. De luchtvaartsector is natuurlijk (onder meer) ingericht op veiligheid en risicobeheersing. Zodra een mogelijke dreiging wordt geuit, moeten autoriteiten handelen alsof die dreiging echt is. Er bestaat eenvoudigweg geen ruimte om eerst rustig af te wachten of iemand misschien alleen maar een slechte grap maakt. Dat betekent dat één enkele opmerking al voldoende kan zijn om een veiligheidsprocedure in werking te zetten.
En die gevolgen zijn vaak aanzienlijk. Vluchten lopen vertraging op, beveiligingsdiensten worden ingezet en soms moeten passagiers of bagage opnieuw worden gecontroleerd. In ernstigere gevallen kan zelfs een toestel worden ontruimd. Vanuit strafrechtelijk perspectief weegt die maatschappelijke impact zwaar mee.
De rechtspraak laat dan ook zien dat rechters streng omgaan met dit soort feiten. Boetes van honderden of duizenden euro’s komen geregeld voor, maar afhankelijk van de ernst van de melding en de gevolgen ervan kunnen ook taakstraffen of gevangenisstraffen worden opgelegd. Daarnaast proberen luchtvaartmaatschappijen de ontstane schade soms civielrechtelijk te verhalen op de veroorzaker. De kosten van vertragingen en veiligheidsmaatregelen kunnen immers fors oplopen.
Wat daarbij opvalt, is dat veel verdachten achteraf lijken te schrikken van de ernst waarmee hun woorden worden opgevat. Juist daarin zit misschien wel de botsing tussen het alledaagse gevoel van een ‘grapje’ en de realiteit van de luchtvaart.
En precies daarom reageren autoriteiten in de luchtvaart liever één keer te streng dan één keer te laat.